Cessieverbod / Verpandingsverbod.

Ces­sie­ver­bod / Ver­pan­dings­ver­bod.

Wilt u met uw contractspartij afspreken dat de vorderingen die u op uw contractspartij krijgt en die de contractspartij op u krijgt niet overdraagbaar en dus ook niet verpandbaar zijn? Let dan goed op hoe u dat onoverdraagbaarheidsbeding opneemt in de overeenkomst! 

Als partijen met elkaar willen handelen (denk bijvoorbeeld aan fietsfabrikant X die grondstoffen wil inkopen bij leverancier Y) dan willen partijen graag zeker weten aan wie er bevrijdend kan worden betaald. Doordat vorderingen in beginsel overgedragen of verpand kunnen worden kan daar echter onduidelijkheid over ontstaan.

Stel bijvoorbeeld dat Y een krediet heeft bij bank Z en dat Y - ter zekerheid van terugbetaling van het krediet - pandrechten op alle huidige en toekomstige vorderingen van Y heeft verstrekt aan bank Z. En stel dat Y de financieringsafspraken die zij met bank Z heeft gemaakt op enig moment niet meer nakomt en dat bank Z als gevolg daarvan de financiering met Y opzegt en de verkregen pandrechten op vorderingen van Y gaat uitwinnen. Bank Z kan dan bij X aankloppen en van X verlangen dat zij het bedrag, dat zij nog aan Y moet betalen als gevolg van de geleverde grondstoffen, aan bank Z  betaalt in plaats van aan Y. X kan in dat geval niet meer bevrijdend aan Y betalen. Stel dat een medewerker van X niet op de hoogte was van het bericht van bank Z en die medewerker het factuurbedrag nog gewoon naar Y heeft overgemaakt, dan is die betaling niet bevrijdend geweest en kan bank Z van X verlangen dat zij alsnog aan bank Z betaald. X moet dan maar zien of zij het bedrag dat zij per ongeluk aan Y heeft betaald nog terugkrijgt van Y. Als Y er financieel niet goed voorstaat (hetgeen niet zelden het geval is als de bank het krediet heeft opgezegd) of inmiddels zelfs al failliet is verklaard, zal X in veel gevallen kunnen fluiten naar zijn centen.

X en Y kunnen deze risico's beperken door in de overeenkomst een onoverdraagbaarheidsbeding (ook wel cessieverbod genaamd) of verpandingsbeding (ook wel verpandingsverbod genaamd) op te nemen. Een onoverdraagbaarheidsbeding zorgt ervoor dat de vorderingen die X en Y op elkaar krijgen niet overdraagbaar en ook niet verpandbaar zijn. Een verpandingsbeding zorgt er alleen voor dat de vorderingen niet verpandbaar zijn, maar laat de mogelijkheid van overdracht van vorderingen in stand. In beide gevallen zorgt het beding ervoor dat de vorderingen die Y op X krijgt voor geleverde grondstoffen dus niet verpand zijn aan bank Z, ook niet als Y (vanwege het krediet dat Y van bank Z heeft gekregen) wel alle huidige en toekomstige vorderingen van haar heeft verpand aan bank Z. De vorderingen van Y op X blijven daar dan immers buiten, omdat die vorderingen naar hun aard niet overdraagbaar en/of verpandbaar zijn. Door opname van een dergelijk beding krijgt X derhalve extra zekerheid dat zij niet met een onbekende derde te maken krijgt en dat zij altijd bevrijdend kan betalen aan haar contractspartij Y. Let wel goed op de formulering van het beding. Is de formulering niet goed dan resteert namelijk slechts een schijnzekerheid. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014 (JOR 2014/141) blijkt namelijk dat een onoverdraagbaarheidsbeding of verpandingsbeding in beginsel uitsluitend verbintenisrechtelijke werking heeft en niet ook goederenrechtelijke werking. Dit betekent dat, indien het beding niet goed is geformuleerd, een contractspartij de vordering in weerwil van het beding toch kan overdragen of verpanden. De contractspartij pleegt dan wel wanprestatie, maar de overdracht c.q. de verpanding is dan wel gewoon geldig. De risico's die men wilde beperken blijven dan derhalve toch bestaan.

Om te zorgen dat een onoverdraagbaarheidsbeding of verpandingsbeding niet alleen verbintenisrechtelijke maar ook goederenrechtelijke werking heeft, dient het beding zo geformuleerd te worden dat daarmee evident duidelijk is dat partijen een beding met goederenrechtelijke werking in de zin van artikel 3:83 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben beoogd. Een formulering als "X en Y mogen de vorderingen niet overdragen" is bijvoorbeeld vrijwel zeker onvoldoende om goederenrechtelijke werking aan te kunnen nemen. Het woord "niet mogen" betekent immers niet dat het niet kan, maar alleen dat het niet mag. Een formulering als "X en Y kunnen de vorderingen niet overgedragen" geeft al een sterkere aanwijzing dat goederenrechtelijke werking is beoogd, maar zelfs die formulering is niet doorslaggevend zo blijkt uit het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2017 (JOR 2018/47). In dat arrest was sprake van een dergelijke "niet kunnen" formulering, maar toch kwam het gerechtshof tot de conclusie dat sprake was van een beding met slechts verbintenisrechtelijke werking. Een van de argumenten daarvoor was dat in die overeenkomst ook stond opgenomen dat toestemming gegeven kon worden om vorderingen over te dragen. Het gerechtshof maakte daaruit op dat het kennelijk wel mogelijk was om onder bepaalde omstandigheden vorderingen over te dragen. Dat duidde er in de visie van het gerechtshof op dat partijen toch niet hadden beoogd de overdraagbaarheid met goederenrechtelijke werking uit te sluiten. De kunst is dus om het onoverdraagbaarheidsbeding of het verpandingsbeding zo te formuleren dat daarmee voldoende duidelijk is dat partijen goederenrechtelijke werking hebben beoogd. De overige tekst in de overeenkomst dient daar dan wel naadloos op aan te sluiten, bij gebreke waarvan het reële risico blijft bestaan dat aan het beding geen goederenrechtelijke werking wordt toegekend.

Bent u in een discussie beland over de vraag of de vorderingen wel of niet overdraagbaar c.q. verpandbaar zijn, of wilt u juist voorkomen dat u in zo'n discussie beland, neem dan contact op met een van onze specialisten. We bekijken dan samen met u hoe we u kunnen helpen en welke stappen daarvoor genomen moeten worden.

Over de schrijver:

Wouter van den Bent

Advocaat

Wouter van den Bent begon zijn carrière bij advocatenkantoren in Nijmegen en Velp. In 2017 maakte hij de overstap naar ons kantoor. Wouter is gespecialiseerd in ondernemingsrecht en faillissementsrecht.   lees meer